Prometheus nrc.next
Bestel het boek Boeiuh Bestel het boek In dubio

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

Essay Zin 9 Het échte vertrouwen

Opvallende ommissie in Het Grote Waardenonderzoek 2007 van Filosofie Magazine was de waarde: vertrouwen.  Opvallend, omdat onze samenleving steeds meer gekenmerkt lijkt door een bepaald 'soort' vertrouwen: ziend vertrouwen.  Maar mag dat ziende vertrouwen wel echt vertrouwen worden genoemd?  Een kijkje op Temptation Island leert ons meer.

Het is tijd voor de rehabilitatie van écht vertrouwen

Dat Filosofie Magazine ‘vertrouwen’ als waarde over het hoofd heeft gezien, kenmerkt de huidige tijdgeest


Door Rob Wijnberg

nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een filosofisch dilemma. Vandaag: wat is precies de betekenis van vertrouwen?

„Er spreekt een bitter pessimisme uit deze cijfers”, schrijft filosoof Ger Groot in zijn analyse van Het Grote Waardenonderzoek 2007, eind december gepubliceerd door Filosofie Magazine. Het tijdschrift vroeg 528 Nederlanders naar „de belangrijkste waarden om goed samen te leven”. Het resultaat: veiligheid en fatsoen scoorden het hoogst, en individualistische waarden als zelfbeschikking en religieuze vrijheid eindigden in de laagste regionen. „Onthutsend”, noemt Groot die uitslag.

Nu heb ik twee weken geleden gewaarschuwd voor de beperkte waarde van dit onderzoek. De vraag naar ‘onze waarden’ was niet neutraal, omdat de inzet ervan al werd verondersteld: goed samenleven. Zelfontplooiing ten koste van het gemeenschappelijke goed is dan bij voorbaat minder relevant – dat staat haaks op samenleven. Maar tegelijkertijd concludeerde ik dat het onderzoek wel degelijk iets zegt over de huidige tijdgeest; over de waarden die wij in de samenleving zoals we die nu kennen, van belang achten.

Wát het ons over die tijdgeest vertelt, daar is Groot niet positief over. De massale voorkeur voor ‘veiligheid’ als belangrijkste waarde ziet hij als een teken dat de burger „passief” is geworden als het om ‘goed samenleven’ gaat. Immers, aan de garantie van de veiligheid kan het individu weinig bijdragen – dat is primair de taak van de overheid én een kwestie van hoe anderen zich gedragen. Bovendien volgen, na fatsoen, onmiddellijk weer twee ‘passieve’ waarden: gelijkwaardigheid en vrije meningsuiting. „Ook dat zijn zaken”, zegt Groot, „die niet ik, maar anderen moeten eerbiedigen jegens mij”.

De docent filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam concludeert dat de Nederlander, als het om maatschappelijke waarden gaat, zichzelf voornamelijk ziet als „een begunstigde en als een consument”. Deze ‘luiheid’ hangt volgens Groot direct samen met het leven in een rechten- en plichtenmaatschappij, waarin fatsoenlijke omgang steeds meer besloten ligt in formele regels en wetten en eigen verantwoordelijkheid in toenemende mate bestaat bij gratie van daartoe opgestelde contracten. ‘Goed samenleven’ hoeft daardoor niet vanuit het individu zélf te komen.

Groots analyse is negatief, maar buitengewoon treffend. Hij legt de vinger op de zere plek, zeker wanneer hij het gevolg van deze „sluipende juridisering van de menselijke betrekkingen” schetst. Want, wat is de consequentie? „Het sociale vertrouwen brokkelt af”. Het waardenonderzoek heeft vooral blootgelegd dat onze tijd wordt gekarakteriseerd door „een fundamenteel wantrouwen van de samenleving in zichzelf”.

Groot doelt hier op wantrouwen in abstracte zin: de burger acht ‘de samenleving’ niet capabel om „deugdzame burgers” te vormen en besteedt die taak dus voor een steeds groter deel uit aan (overheids)instanties. Maar dat sluimerende wantrouwen is ook in praktische zin merkbaar. Op terrassen bijvoorbeeld moet steeds vaker vooraf worden betaald, de uitgang van de supermarkt kan bijna niet meer bereikt worden zonder de kassa, drie magneetpoortjes en een beveiliger te passeren en dit jaar wordt met de ov-chipkaart een permanente ‘conducteur’ ingevoerd, die al bij het betreden van het perron controleert of je wel betaald hebt.

Kortom, controle wordt steeds normaler, omdat het wederzijdse vertrouwen afneemt. Het kortgeleden ingevoerde preventief fouilleren en het explosief gegroeide aantal beveiligingscamera’s in de publieke ruimte, zijn daarvan andere voorbeelden. De nog altijd toenemende bureaucratisering, ondanks pogingen van meerdere kabinetten om dat tegen te gaan, trouwens ook: regels en procedures zijn immers een vorm van gestold wantrouwen, voortgedreven door de angst dat zonder regels en procedures misbruik onherroepelijk zal toenemen.

Dit alles maakt het des te opvallender dat de waarde ‘vertrouwen’ door Filosofie Magazine niet eens aan de ondervraagden werd voorgelegd. Blijkbaar beschouwt de redactie het niet als fundamentele waarde ‘om goed samen te leven’. Dat is geheel in overeenstemming met de tijdgeest maar ook een gemiste kans, want het was interessant geweest te zien hoe Nederlanders anno 2007 het begrip ‘vertrouwen’ eigenlijk definiëren.

Ziet de Nederlander vertrouwen eerder als blind of als ziend vertrouwen? Het verschil tussen die twee definities wordt bepaald door de mate waarin ‘vertrouwen’ als afhankelijk van de realiteit wordt gezien. ‘Blind vertrouwen’ trekt zich niks aan van de feitelijke omstandigheden: men heeft dan vertrouwen in iets of iemand, ongeacht de ervaringen met die persoon, of de feiten die het vertrouwen in iets rechtvaardigen of ontmoedigen. Ziend vertrouwen daarentegen beweegt mee met de werkelijkheid: vertoont iemand goed gedrag, dan neemt het vertrouwen in hem toe; misdraagt hij zich dan neemt het vertrouwen navenant af.

Nu lijkt vooral dat ‘ziende vertrouwen’ aan een opmars bezig. We vertrouwen iets steeds vaker pas als de feiten dat vertrouwen rechtvaardigen. Kijk maar naar hoe het woord tegenwoordig gebruikt wordt. ‘Consumentenvertrouwen’ is geen gevoelswaarde, maar een wiskundige formule gebaseerd op feitelijke economische omstandigheden. Gaat het economisch voor de wind, dan neemt het vertrouwen toe – en omgekeerd. Ook het ‘vertrouwen in de politiek’ is op die leest geschoeid: het gaat er niet om of we, zonder aanleiding, geloven dat het kabinet zijn beloftes nakomt – nee, het moet eerst maar eens bewijzen dat het ons vertrouwen waard is. Blijven de prestaties uit, dan daalt automatisch ons ‘vertrouwen’.

De vraag is of dit ziende vertrouwen wel écht vertrouwen mag worden genoemd. Daar kun je lang over filosoferen. Maar wie ooit de realityshow Temptation Island van Veronica heeft gezien, weet onmiddellijk het antwoord. Nee.

In Temptation Island gaan vijf stelletjes gescheiden van elkaar met vakantie op een tropisch eiland, waar ze worden blootgesteld aan de verleidingen van begeerlijke vrijgezellen. De opdracht is: niet vreemdgaan. Het intrigerende is nu dat de deelnemers altijd aan het begin van het programma verklaren mee te doen aan deze ‘relatietest’ omdat ze „hun partner vertrouwen”. Immers, als dat niet zo was, zouden ze elkaar nooit de aanwezigheid van allerhande begeerlijke vrijgezellen toestaan. Toch?

Wel, je kunt de vraag ook omdraaien: als ze elkaar écht vertrouwen, waarom doen ze dan mee aan een relatietest? Waarom willen ze hun verhouding dan op de proef stellen? Het lijkt erop dat wat de stelletjes ‘vertrouwen’ noemen, eigenlijk heimelijk wantrouwen is. Ze willen hun vertrouwen niet bevestigd, maar hun wantrouwen weggenomen zien: de partner moet bewijzen dat hij of zij niet vreemd zal gaan.

Vertrouwen als iets dat je moet verdienen in plaats van iets dat je – zonder reden – in iemand stelt: die opvatting lijkt de drijvende kracht achter onze roep om meer controle van de overheid om onze veiligheid te garanderen, en om meer fatsoen in plaats van zelfbeschikking en religieuze vrijheid – want Joost mag weten wat ‘de ander’ met zijn vrijheid van plan is.

Natuurlijk, er zijn zeker mensen die van een terras weglopen zonder te betalen, boodschappen in hun tas stoppen zonder af te rekenen en een trein pakken zonder kaartje. Maar écht vertrouwen is daar blind voor. Het is te hopen dat deze waarde in Het Grote Waardenonderzoek van 2008, en in de samenleving zelf, nieuw leven wordt ingeblazen.

Verschenen in nrc.next op 2 januari 2008.

03 januari 2008

door:

Rob Wijnberg

Reageer zelf