Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Essay Zin 26 Democratie in Irak
Voor wie de Tegenlicht-aflevering van mijn interview met filosoof John Gray niet hebben gezien: hier een kleine samenvatting van zijn meest interessante overdenkingen over de oorlog in Irak. En zijn analyse is bepaald niet mals: een democratisch Irak is een utopie, stelt Gray. En dat hadden we kunnen weten: 80 jaar geleden zeiden de oprichters van het moderne Irak ook al dat een democratie onmogelijk is. Lees hier waarom.
Een democratisch Irak is een utopie
Volgens de Britse filosoof John Gray waren de gevolgen van de val van het Saddam-regime te voorzien
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: hoe Irak zichzelf als democratie zou opheffen.
Door Rob Wijnberg
Als het aan het kabinet-Balkenende IV ligt, komt het er niet: een onderzoek naar besluitvorming rond de politieke steun van de Nederlandse regering aan de oorlog in Irak. Zelfs de PvdA, die tijdens de verkiezingscampagne in 2006 nog zwoer voor een dergelijk onderzoek te zijn, heeft haar eis in de coalitiebesprekingen laten vallen. Maar de oppositiepartijen alsook de PvdA-fractie in de Eerste Kamer willen nog steeds dat het Irak-onderzoek er komt. Ze stelden twee weken geleden dan ook een uitgebreide lijst vragen op over het hoe en waarom van onze betrokkenheid in dit nog altijd voortslepende conflict.
Volgens het kabinet is er helemaal geen noodzaak voor een onderzoek. De premissen waarop de regering heeft besloten politieke steun te verlenen aan de inval van de VS zijn immers duidelijk. Irak vormde een eminente bedreiging voor het Westen – het zou massavernietigingswapens hebben en willen gebruiken – en het regime van Saddam Hoessein was een tirannie waar de Irakezen van moesten worden bevrijd; een democratisch Irak zou voor alle partijen beter zijn. Van het eerste argument is inmiddels niks meer over: massavernietigingswapens zijn nooit gevonden in Irak. Daarom valt premier Balkenende steevast terug op de tweede reden: de wereld zonder Saddam is beter af, stelt hij.
Maar ook dat argument was en is een drogreden, zegt de Britse politiek filosoof John Gray (1948), die ik onlangs interviewde voor het afgelopen maandag uitgezonden programma Tegenlicht. Voor wie de aflevering niet heeft gezien, is het de moeite waard om Gray’s visie op de Irak-oorlog hier nog eens terug te lezen. Zijn kijk op de noodzaak van de oorlog en de haalbaarheid van het democratiseringsproject werpen namelijk een verhelderend licht op de kwestie – een licht dat het belang van een onderzoek naar onze steun aan de inval onderstreept.
Volgens Gray, hoogleraar European Thought aan de London School of Economics, was het op westerse snit democratiseren van Irak namelijk “een utopie” – niet alleen een hoogst onrealistisch, maar zelfs een “volstrekt onhaalbaar ideaal”. En wel om twee redenen.
De eerste is dat als Irak een democratie zou zijn, dan zou het ‘als democratie’ onmiddellijk uiteenvallen. “Een democratisch Irak zou namelijk uitmonden in een theocratie”, stelt Gray. Hij verwijst hierbij naar de oprichter van de moderne staat Irak, de Britse politicologe en schrijfster Gertrude Bell (1868-1926) – ook wel de ‘ongekroonde koningin van Irak’ genoemd. Zij hielp in 1921, ten tijde van het Britse kolonialisme, de staat Irak vestigen en was ervoor verantwoordelijk dat de macht in handen kwam van een minderheid: de Soennieten. “Want,” zo stelde ook Bell destijds, “een meerderheidsregime zal leiden tot een theocratisch systeem.” Een onderliggend motief voor de Britten om Irak niet democratisch te maken was de olie: zouden de Sjiieten evenzeer de macht krijgen, dan zou de Engelse controle over de olievelden in gevaar zijn gekomen.
Nu was dit ruim tachtig jaar geleden, maar John Gray benadrukt dat het argument van Bell nog steeds geldig is: “Het regime van Saddam was namelijk een despotisch, maar niettemin seculier regime. De grondslag van de wet was niet de islamitische shari’a; het was gebaseerd op seculiere beginselen. Op het moment dat je dat regime weghaalt en ‘vervangt’ met een democratie, dan is het risico op een theocratie evident”.
Met andere woorden, de grote misvatting van de Verenigde Staten was niet zozeer praktisch van aard – onderschatting van het aantal zelfmoordaanslagen, te weinig militaire troepen – maar een theoretische; een gevaar waar de Griekse filosoof Plato (427-347 v. Chr.) al voor waarschuwde, namelijk dat een democratie zichzelf langs democratische weg kan opheffen. De regering-Bush ging er blind vanuit dat een meerderheidsregering in Irak in beginsel een democratisch grondvest zou hebben – iets wat, volgens Gray, al jaren als feitelijk onjuist bekend stond. De meerderheid in Irak wordt immers gevormd door de Sjiieten die geen democratie, maar een islamitische theocratie ambiëren. Een democratisch Irak zou dus per definitie een ondemocratisch Irak tot gevolg hebben gehad.
Ten tweede was het democratiseren van Irak ook op een hoger “geopolitiek niveau” een utopie, aldus Gray. Want, stel dat het land wél een ‘succesvolle’ democratie was geworden. Dan nog was het zeer de vraag geweest of het een ‘westerse’ democratie was geweest “die het Westen goedgezind zou zijn”, zegt Gray. Een dergelijk op het Westen georiënteerd Irak was wél de veronderstelling die de VS erop nahielden: de viceminister van Defensie Paul Wolfowitz stelde voorafgaand aan de inval dat de oorlog zichzelf zou terugbetalen wanneer het regime van Saddam eenmaal omver was geworpen, omdat dan de olieproductie zou kunnen worden opgeschroefd en de olieprijs tot rond de 20 dollar per vat zou dalen. “Maar waarom zou men ook maar in de verste verte aannemen dat zo’n nieuwe staat – al was die op ‘westerse’ snit gefundeerd – ook automatisch toe zou staan dat de VS de macht en controle zouden nemen over de oliebronnen?”, vraagt Gray retorisch.
Anders gezegd, ook de politieke strategie was utopisch, want als men de macht aan de Irakezen zou hebben gegeven, dan zouden ze hun olie juist uit Amerikaanse handen willen houden. En dat gebeurt nu ook: de gewelddadige strijd om de macht in het land “draait voor 80 procent om de macht over de olievelden”, berichtte The New York Times begin deze maand. De olieproductie is in de jaren na de inval gestaag gedaald en heeft het vooroorlogse niveau nog altijd niet bereikt – hetgeen mede de hoge olieprijs verklaart. Dezelfde krant berichtte in 2007 nog dat de VS “tussen de 100.000 en 300.000 vaten olie per dag mislopen door smokkelaars, corrupte officieren en rebellen”. En van de adoptie van ‘westerse’ waarden is al helemaal niks terecht gekomen. “De onderdrukking van bijvoorbeeld vrouwen is op dit moment nog erger dan ten tijde van Saddam”, stelt Gray vast.
Deelname aan de oorlog door Nederland op grond van de rechtvaardiging dat de Irakezen verlost moesten worden van het Saddam-regime, kan in het licht van Gray’s observaties dus onmogelijk nog als legitiem worden beschouwd. Wie de machtsverdeling sinds de stichting van de staat in 1921 in ogenschouw had genomen, was onherroepelijk tot de conclusie gekomen dat het omverwerpen van het zittende regime een anarchie zou veroorzaken, die waarschijnlijk zou uitmonden in een islamitische in plaats van seculiere en een vijandige in plaats van westers gezinde dictatuur. Deze kennis was bovendien aanwezig bij de meeste inlichtingendiensten - waaronder de CIA, die in 2002 en 2003 nog ernstige vraagtekens bij een inval plaatsten.
Grays analyse werpt dan ook de prangende vraag op in hoeverre de Nederlandse regering deze cruciale kennis van zaken had – of ze wel wisten wat voor land de VS autonoom, zonder toestemming van de VN, binnenvielen. Die vraag ligt in het verlengde van de vraag of Nederland is ‘voorgelogen’ door Amerika: immers, het voorliegen kon slechts geschieden als de regering zelf nauwelijks een inschatting kon maken van de reële slagingskans van een democratisch Irak. “Een klein beetje realisme had de oorlog in Irak kunnen voorkomen”, stelt Gray dan ook vast. En dat is geen wijsheid achteraf: hij waarschuwde al vóór de inval voor desastreuze consequenties.
Voor Nederland is wijsheid achteraf nu wel gewenst: hoe geïnformeerd is de regering over de politieke en maatschappelijk structuren in het Midden-Oosten? Dat zou, Gray beluisterend, de voornaamste insteek van het Irak-onderzoek moeten zijn – zeker nu Nederland nog altijd actief helpt bouwen aan een ‘democratischer’ Afghanistan.
Verschenen in nrc.next op 30 april 2008.
07 mei 2008
door:
Rob Wijnberg
Rob Wijnberg (1982) is de jongste opinieredacteur van NRC Handelsblad en nrc.next. Hij studeert tegelijkertijd filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn loopbaan in de journalistiek begon in 2001 met een vaste column in Dagblad De Telegraaf. Ook schreef hij de rubriek Het Schoolplein voor de jongerenpagina, waarvoor hij wekelijks middelbare scholieren uit heel Nederland interviewde over de actualiteit. In 2005 verscheen zijn eerste lange essay in ...
> Lees verder



