Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Essay Zin 25 De gelijkheidsparadox
Het feministische tijdschrift Opzij is op zoek naar een nieuwe hoofdredacteur. Ook mannen moeten een gelijke kans krijgen voor die positie, vindt de Commissie Gelijke Behandeling. Is dat een juist oordeel? En een rechtvaardige? Wie de paradox van de gelijke behandeling kent, weet dat Commissie juist het omgekeerde doet dan haar naam doet vermoeden: ze behandelt iedereen verschillend.
De paradox van de gelijke behandeling
Waarom de oordelen van de Commissie Gelijke Behandeling nooit absoluut rechtvaardig kunnen zijn
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: het principe van gelijke behandeling.
De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) haalde afgelopen week twee keer de krant. Allereerst met haar opmerkelijke advies aan het feministische tijdschrift Opzij om ook mannen een kans te geven wanneer een vacature op de redactie beschikbaar komt. Het blad zoekt een nieuwe hoofdredacteur als opvolger van Cisca Dresselhuys – en de redactie mag daarbij „geen onderscheid maken op grond van geslacht door een functie als redacteur uitsluitend te reserveren voor vrouwen”, aldus de CGB.
Vorige week maandag berichtte nrc.next over een uitspraak van de Commissie in een conflict tussen een brillenwinkel en een moslima. Laatstgenoemde had gesolliciteerd naar een stageplek bij de opticien, die haar weliswaar geschikt achtte, maar haar weigerde aan te nemen vanwege haar hoofddoek. Het dragen van een sluier was in strijd met de kledingvoorschriften van de winkelketen; de werknemers moesten een „mode- en merkbewuste uitstraling” hebben en een verkoper met een hoofddoek zou zo’n uitstraling „onvoldoende vertegenwoordigen”, aldus de winkel. Het CGB achtte een ‘modieus’ kledingvoorschrift legitiem, maar oordeelde niettemin in het voordeel van de moslima. Een hoofddoek hoeft immers niet per definitie onmodieus te zijn, aldus de commissie. Het onderscheid dat de opticien had gemaakt, was daarom „niet gerechtvaardigd”.
De vraag is: zijn deze oordelen van de CGB juist? En rechtvaardig? De brillenwinkel heeft het advies in elk geval ter harte genomen en herziet nu zelfs haar aannamebeleid. Dit onderstreept dat de uitspraken van de Commissie een zeer breed draagvlak kennen. Bijna negen op de tien oordelen worden opgevolgd. In 70 procent van de gevallen volgen ook rechters de conclusies van de CGB. De laatste die zich wél kritisch over de Commissie heeft uitgelaten, was Rita Verdonk. Zij stelde in november 2006 zelfs voor de CGB helemaal af te schaffen. Aanleiding was destijds het oordeel van de Commissie dat een vmbo-school niet van een islamitische docente had mogen eisen dat ze mannen een hand geeft.
Dat de commissie – uitzonderingen daargelaten – vrijwel onomstreden is, heeft uiteraard te maken met het feit dat ‘gelijke behandeling’ een haast onbetwiste norm in de westerse wereld is. In Nederland is het gelijkheidsbeginsel zelfs het eerste artikel van de Grondwet. Toch is deze opvatting nog niet heel lang gemeengoed. Tot de 18de eeuw was een meerderheid van mening dat ‘natuurlijke ongelijkheid’ tussen mensen bestond en dat een zekere maatschappelijke hiërarchie daar de logische en onvermijdelijke consequentie van was. Aan die opvatting kwam pas goeddeels een einde door de Verlichting. Tegenover de ‘natuurlijke ongelijkheid’ kwam het ‘natuurlijke recht’ te staan, waarin gepostuleerd werd dat ieder mens, van nature, een gelijke mate van respect en waardigheid toekwam. Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) verwoordde dit ideaal door te stellen dat een mens „nooit als middel, maar altijd als doel op zich moet worden behandeld”.
Toch is gelijkheid altijd een hoogst omstreden principe gebleven. Het voornaamste probleem is namelijk dat, hoewel de opvatting in onmin raakte, ‘natuurlijke ongelijkheid’ en de daarmee gepaard gaande hiërarchie onherroepelijk een feit is gebleven en ook zal blijven. Mensen verschillen nu eenmaal van elkaar – in capaciteit en ambitie en daarmee ook in macht, in status en in sociale positie.
Deze verschillen zouden alleen opgeheven kunnen worden als ook de machtsverdeling zelf zou worden opgeheven – hetgeen bijvoorbeeld Karl Marx beoogde met het communisme. Dat zijn ideaal echter schromelijk mislukte is niet verwonderlijk. Een samenleving kan niet zonder machtsverdeling: waar niemand de macht heeft, zal er namelijk altijd iemand zijn om haar te grijpen. Een recente illustratie daarvan is de oorlog in Irak. Het omverwerpen van het regime van Saddam Hussein heeft een bittere (en onvermijdelijke) strijd om de macht veroorzaakt. Deze „wil tot macht” werd door de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) niet voor niets als het meest wezenlijke aan de mens beschouwd.
De noodzakelijke aanwezigheid van een machtsverhouding en dus van een maatschappelijke hiërarchie, heeft tot gevolg dat ‘gelijkheid’ nooit als iets ‘absoluuts’ kan worden begrepen. De Duitse hoogleraar praktische ethiek aan de Universiteit van Bremen Stefan Gosepath stelt terecht dat ‘volledige gelijkheid’ een „contradictio in terminis” is. Want, zegt hij, „een oordeel over gelijkheid veronderstelt noodzakelijkerwijs een verschil tussen de twee zaken die worden vergeleken.” Het gelijkheidsbeginsel is dan ook slechts relevant voor zover mensen vergelijkbaar en dus verschillend zijn – in capaciteit, macht en sociale positie.
Dit gegeven heeft veel filosofen ertoe gebracht om het streven naar sociale en maatschappelijke gelijkheid deels of zelfs volledig op te geven. Dat wil niet zeggen dat zij ook het idee van menselijke gelijkwaardigheid verwierpen. Maar, stelt de Amerikaanse filosoof Douglas Rae enigszins retorisch: het voortbrengen van gelijkheid „is verstoken van betekenis”. Immers, wil gelijkheid betekenisvol zijn, dan zullen er altijd verschillen moeten zijn. Absolute gelijke behandeling is, vanuit het oogpunt van ‘gelijkheid’, dan ook nooit rechtvaardig: het bekrachtigt namelijk slechts de verschillen. Als bijvoorbeeld iedereen precies evenveel belasting zou betalen, dan zou dat het (onvermijdelijke) verschil tussen rijk en arm juist vergroten in plaats van verkleinen.
Dit probleem werd ook al beschreven door de Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 v. Chr.), die in zijn boek Ethica Nicomachea een verschil maakt tussen „numerieke” en „proportionele” gelijkheid. Numerieke gelijkheid is absolute gelijkheid; als ware mensen ‘niet van elkaar te onderscheiden’ – een principe dat volgens Aristoteles niet altijd een „rechtvaardig resultaat” geeft. Proportionele gelijkheid beschouwt gelijkheid daarentegen als relatief – dat wil zeggen, door relevante verschillen te laten meewegen in het morele oordeel. Wil gelijke behandeling dus rechtvaardig zijn, dan kan het alleen antiprincipieel worden toegepast.
Dat gegeven laat zien dat er een interne paradox schuilt in de Commissie Gelijke Behandeling. Zij doet namelijk precies het omgekeerde dan haar naam doet vermoeden: zij behandelt ieder persoon verschillend. De CGB kan namelijk alleen een ‘rechtvaardig’ oordeel vellen door ieder geval apart op zijn merites te beoordelen. Paradoxaal geformuleerd: de Commissie Gelijke Behandeling bewijst zélf dat gelijke behandeling onrechtvaardig is. Een absoluut ‘rechtvaardig oordeel’ kan zij dus ook niet vellen. De Commissie moet uiteindelijk altijd partij kiezen – de voorkeur geven aan een bepaald belang op grond van steeds weer verschillende, en dus anti-principiële afwegingen.
Dat principieel oordelen tot een paradox leidt is zichtbaar in het advies aan het maandblad Opzij. De Commissie beziet een verschil maken op grond van geslacht als principieel onjuist – en dat doorkruist eigenlijk de bestaansreden van het blad, namelijk het emanciperen van vrouwen. Het advies zou, in de ogen van Opzij, pas echt rechtvaardig zijn als hij onnodig was – als mannen en vrouwen inderdaad gelijk behandeld zouden worden.
Met het advies zegt de commissie in feite dat de emancipatie van vrouwen voltooid is – dat om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bewerkstelligen het voortrekken van vrouwen niet langer nodig is. Maar daar zal de redactie van Opzij anders over denken: haar belang (vrouwenemancipatie) is tegenovergesteld aan wat de CBG adviseert.
Het is dan ook zinloos ooit van een ‘juist’ of ‘onjuist’ oordeel van de CGB te spreken. Rechtvaardigheid is altijd afhankelijk van welk belang men wil dienen. Dat Verdonk de Commissie onmiddellijk wilde afschaffen, omdat een moslima van de CGB mannen geen hand hoefde te geven, toont dan ook iets aan wat we al van deze politica wisten: dat ze het begrip ‘rechtvaardigheid’ niet begrijpt.
Verdonk beziet ‘gelijkheid’ net zoals ze ‘regels’ ziet: niet als relatief en contextgebonden, maar als absoluut en principieel. Daarmee gaat ze keer op keer voorbij aan het belang dat een regel of oordeel moet dienen. Je zou immers ook, in de context van de positie van de vrouw in de islam, kunnen stellen dat het feit dat een moslima überhaupt een man de hand mág weigeren een teken van emancipatie is.
Laten we dat eens voorleggen aan Cisca Dresselhuys.
Verschenen in nrc.next op 23 april 2008.
24 april 2008
door:
Rob Wijnberg
25 april 2008
door:
Neil
28 april 2008
door:
J.B.W.
Rob Wijnberg (1982) is de jongste opinieredacteur van NRC Handelsblad en nrc.next. Hij studeert tegelijkertijd filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn loopbaan in de journalistiek begon in 2001 met een vaste column in Dagblad De Telegraaf. Ook schreef hij de rubriek Het Schoolplein voor de jongerenpagina, waarvoor hij wekelijks middelbare scholieren uit heel Nederland interviewde over de actualiteit. In 2005 verscheen zijn eerste lange essay in ...
> Lees verder




