Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Essay Zin 24 De verantwoordelijkheid voor kinderen
In het westen geldt de norm: de ouders verzorgen alleen hun eigen kinderen. Het wordt zelfs als moreel juist beschouwd om de belangen van je eigen kind boven die van andere te stellen. Ironisch genoeg werkt deze exclusieve verantwoordelijkheid van ouders juist overheidsbemoeienis in de hand. Want, wie moet immers helpen opvoeden, als het mis gaat?
Als alle kinderen even belangrijk zouden zijn
De liefde voor onze kinderen is partijdig. En dat werkt uiteindelijk meer overheidsbemoeienis in de hand
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de westerse kijk op de ouder-kindrelatie.
De overheid bemoeit zich actief met de opvoeding van kinderen. Vorige week stelde minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) voor om een avondklok voor probleemkinderen tot 12 jaar in te stellen. Want „een jong kind hoort niet in de avonduren op straat”, aldus de minister. Als ouders hun kinderen niet kunnen of willen corrigeren wordt sneller de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld om maatregelen te nemen. En ook het in 2007 opgerichte ministerie van Jeugd en Gezin houdt nu een oogje in het zeil via zwangerschapsbegeleiding, opvoedcursussen en een elektronisch kinddossier.
Nog maar tien jaar geleden was zulke overheidsbemoeienis ‘achter de voordeur’ uit den boze. Maar sinds enkele jaren klinkt de roep om strenger optreden van de staat luider. Deels komt dat waarschijnlijk door zorgwekkende berichten in de media. Zo berichtten diverse kranten, waaronder nrc.next, onlangs dat uit onderzoek was gebleken dat een derde van de kinderen tussen 10 en 11 jaar wel eens strafbare feiten heeft gepleegd, variërend van ordinair kattekwaad tot diefstal en brandstichting. Verder is, vooral sinds 11 september 2001, het vertrouwen in de staat als handhavende macht sterk toegenomen: liever meer veiligheid dan meer privacy, is de gedachte. De staat mag weer over ons waken.
Maar er ligt ook een fundamentelere oorzaak ten grondslag aan het feit dat de overheid zich in toenemende mate genoodzaakt ziet zich te bemoeien met de opvoeding van kinderen. Die oorzaak schuilt in de manier waarop in de westerse wereld wordt aangekeken tegen de ouder-kindrelatie.
De gangbare opvatting is dat ouders uitsluitend een morele en opvoedkundige verplichting hebben jegens hun eigen kinderen. Kinderen opvoeden is geen taak van een gemeenschap, of van de samenleving als geheel; de verantwoordelijkheid rust volledig op de schouders van de vader en/of moeder.
Dat klinkt in eerste instantie tegenstrijdig: de opvatting dat de verantwoordelijkheid exclusief bij de ouders ligt, zou overheidsbemoeienis juist ongewenst maken. Maar het gevolg ervan is wel dat, wanneer de ouders hun verantwoordelijkheid niet nemen – hetzij door onwil, hetzij door onvermogen – alléén de overheid overblijft als corrigerend alternatief. Het is immers not done om je als buurman, vriend, of zelfs als familielid, op te werpen als ‘opvoeder’ van andermans kinderen. Ook in het dagelijkse maatschappelijke verkeer is interventie in het gedrag van kinderen door vreemden niet of nauwelijks geaccepteerd. ‘Waar bemoeit u zich mee?’ is dan al gauw de reactie. In samenlevingen waar opvoeden meer werd gezien als een ‘collectieve taak’, zoals in het zeventiende-eeuwse Engeland, was overheidsingrijpen dan ook minder aan de orde dan nu in Nederland.
Volgens de Amerikaanse filosoof James Rachels (1941-2003) wortelt deze westerse kijk op de opvoeding – ‘bemoei jij je niet met mij, dan bemoei ik me niet me jou’ – niet slechts in het individualistische mensbeeld dat wij hebben. Aan onze opvattingen over de ouder-kindrelatie ligt een diepere, morele aanname ten grondslag, namelijk dat moraliteit niet onpartijdig kan zijn.
Wij geloven dat „ouders een speciale verplichting hebben om te zorgen voor hun eigen kinderen”, schrijft Rachels in het essay Morality, Parents, and Children (uit de bundel: Ethics in practice (1997)). En die speciale verplichting heeft tot gevolg dat we „geloven dat we niet zulke verplichtingen hebben jegens vreemden.”
De gangbare gedachte is dus dat niet alle kinderen even belangrijk voor ons zijn. Het belang van het eigen kind gaat automatisch boven dat van anderen. Als het om je kinderen gaat, is het zelfs moreel juist om partij te kiezen. Rachels: „We zouden denken dat er iets behoorlijk mis is met een ouder die de belangen van zijn eigen kinderen niet boven die van alle andere kinderen zou stellen”.
En juist dat uitgangspunt, zegt Rachels, maakt dat we ons niet of nauwelijks verantwoordelijk voelen voor het lot van andere kinderen. Want ons gevoel zegt dat dat afbreuk zou doen aan de ‘speciale’ verplichting die we hebben jegens ons eigen kroost: als alle kinderen allemaal evenzeer onze morele inachtneming verdienen, zou dat betekenen dat ons eigen kind slechts ‘even belangrijk’ is als ieder ander kind.
Rachels bestrijdt deze opvatting en komt voor westerse begrippen met een tamelijk onorthodox standpunt. Hij stelt namelijk dat het voor ons morele verantwoordelijkheidsgevoel niet zou moeten uitmaken „of een kind van jou is of niet”. Hij baseert zich hierbij op de Chinese wijsgeer Mo Tzu (471-391 v. Chr.), die als een van de eersten pleitte voor een „alomvattend soort moraal dat geen onderscheid maakt tussen vrienden, familie en de mensheid in zijn geheel”. Rachels wil af van onze „natuurlijke neiging” om het belang van onze eigen kinderen „voorop te stellen” – we zouden ons verantwoordelijk moeten voelen voor „alle kinderen”, zegt hij.
Rachels geeft daarbij wel blijk van het besef dat het idee dat de eigen kinderen een „superieure claim” op de ouders hebben zeer diepgeworteld zit. „Kan dat idee überhaupt betwijfeld worden?” vraagt hij zich bescheiden af. Toch is zijn antwoord: ja.
Want, zegt hij, onze moraal legt veel te weinig rekenschap af aan het concept van „moreel geluk”. Daarmee bedoelt Rachels: het is puur toeval of een kind terecht komt in een liefhebbend, gelukkig en (financieel) welvarend gezin of niet. Sommige kinderen hebben geluk en worden in een welgesteld nest geboren, anderen hebben pech en zitten vast aan een gebroken of arm gezin. En „waarom zou dat vanuit moreel perspectief moeten meetellen? (...) Waarom zouden wij moeten accepteren dat onze morele opvattingen juist zijn, als dat betekent dat sommige kinderen wel gevoed en verzorgd worden, en anderen niet?” Met andere woorden: dat een kind ‘van iemand is’, is helemaal niet zo „moreel relevant als wij denken”, stelt Rachels.
Uit zijn betoog kan worden opgemaakt dat er niks mis mee is als we ons actiever betrokken opstellen jegens kinderen van vreemden. De meeste mensen, onder wie ik, zullen Rachels’ opvatting echter hoogst utopisch vinden. De gedachte dat alle mensen zich evenzeer om hun eigen kinderen zouden kunnen bekommeren als om hun eigen kroost, is vergezocht.
Ten eerste gaat het concept van liefde nu eenmaal onherroepelijk gepaard met exclusiviteit. Als alle mensen even belangrijk voor mij waren, kan ik met niemand een ‘speciale’ band opbouwen. In de lijn der gedachte van Rachels verdient een willekeurige vreemde in Afrika evenveel morele voorkeur als mijn beste vriend, iets wat haaks staat op het idee van ‘vriendschap’ – en ook op de liefde voor je eigen kinderen.
Verder wuift Rachels veel te gemakkelijk het praktische bezwaar weg dat de ouders van een kind veel beter in staat zijn een kind op te voeden en te verzorgen dan een buitenstaander: ze kennen het kind beter en zijn dus ook beter op de hoogte van diens karakter en behoeftes.
Rachels benoemt deze bezwaren allemaal wel; zijn essay dient meer als ‘gedachtenexperiment’ dan als een realiseerbaar voorstel. De vraagtekens die hij plaatst bij onze diepgewortelde opvatting dat een kind ‘moreel bezit’ is van alleen de ouders, biedt in ieder geval een origineel perspectief. Want, mocht u ooit een vervelend kind in de trein, of een groepje hangjongeren op straat, aanspreken op ontoelaatbaar gedrag, en de ouders betichten u van onbehoorlijke bemoeienis, dan weet u zich vanaf nu gesterkt door James Rachels. U bent niet zozeer een bemoeial, maar juist een bewonderenswaardig moreel persoon: u geeft er immers blijk van alle kinderen ‘even belangrijk’ te vinden.
En zouden meer mensen dat vinden, dan zou dat weer een zorg minder zijn voor de overheid.
Verschenen in nrc.next op 16 april 2008.
16 april 2008
door:
Rob Wijnberg
Rob Wijnberg (1982) is de jongste opinieredacteur van NRC Handelsblad en nrc.next. Hij studeert tegelijkertijd filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn loopbaan in de journalistiek begon in 2001 met een vaste column in Dagblad De Telegraaf. Ook schreef hij de rubriek Het Schoolplein voor de jongerenpagina, waarvoor hij wekelijks middelbare scholieren uit heel Nederland interviewde over de actualiteit. In 2005 verscheen zijn eerste lange essay in ...
> Lees verder



