Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Essay Zin 21 Racisme als ideologie
Met enige verwondering zullen Europeanen kijken naar de hevige discussies die nog altijd worden gevoerd over ras en racisme in de Verenigde Staten. Ondanks alle pogingen het thema te mijden, is Barack Obama toch in de hoek gedrukt met uitspraken van zijn voormalig predikant. Maar wie de geschiedenis van het Europese verlichtingsdenken kent, weet dat ook wij niet geheel zonder schuld zijn aan het nog altijd voort durende rassenprobleem in de VS.
Sorry Obama, het is ook een beetje onze schuld
Hoe racisme een ideologie werd door het Europese verlichtingsdenken
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: hoe racisme een 'isme' werd.
Door Rob Wijnberg
Racisme is vorige week toch onderwerp van discussie geworden tijdens de voorverkiezingen van het Amerikaanse presidentsschap, ondanks alle inspanningen van de Democratische kandidaat Barack Obama om het thema te mijden. Aanleiding voor de controverse waren de racistische uitlatingen van de zwarte dominee Jeremiah Wright - de vroegere predikant van Obama. Wright hekelde de “heerschappij van de rijke blanken” in zijn land en zette daarmee de sluimerende rassenscheiding in één klap weer op de politieke agenda. Obama nam onmiddellijk afstand van diens uitspraken, maar erkende niettemin dat er in de VS nog altijd “grote spanningen” bestaan tussen zwarten en blanken.
De gemiddelde Europeaan zal zich hebben afgevraagd hoe het toch mogelijk is dat een moderne, westerse democratie als Amerika nog altijd zo gebukt gaat onder het rassenvraagstuk. In Europa is van structureel racisme al zeker vijf decennia geen sprake meer, onder andere doordat racistisch gedachtegoed sterk in onmin raakte na de Tweede Wereldoorlog. Het lijkt in ieder geval ondenkbaar dat in Nederland anno 2008 de huidskleur van een Kamerlid of potentiële premier onderwerp van verhit debat kan zijn.
De gedachte dat een bepaalde groep mensen op grond van niet-gekozen eigenschappen als huidskleur of etniciteit inferieur zou zijn aan een andere groep is al terug te vinden bij de Oude Grieken. Het zou te kort door de bocht zijn om racisme van alle tijden te noemen - tienduizend jaar geleden bestonden er nog geen mensenrassen - maar vooroordelen op basis van ras en afkomst zijn geen ‘modern’ verschijnsel.
Lange tijd is dat in de academische wereld echter wel de consensus geweest. Volgens de meeste filosofen en historici deed racisme als gedachtegoed voor het eerst opgeld ten tijden van het Europese kolonialisme en de slavenhandel rond het einde van de 19e eeuw. Maar de Zwitserse historicus Benjamin Isaac, auteur van het boek The Invention of Racism in Classical Antiquity (2004), concludeerde na een uitgebreide studie dat die kijk op de geschiedenis een verkeerde voorstelling van zaken is. Zowel bij de Romeinen als de Grieken, stelt Isaac, zijn bijvoorbeeld sporen te vinden van opvattingen die nu bekend staan als ‘klimatologisch’ racisme: discriminatie op grond van uiterlijke kenmerken die voortkomen uit verschillen in geografische en klimatologische omstandigheden.
Zo was de Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) van mening dat zijn eigen land een “ideaal klimaat” had. De Grieken waren daarom het beste toegerust om over ‘slaafse’ Aziaten en Afrikanen te heersen, stelde hij. Zijn leermeester Plato (427-347 v. Chr.) was van mening dat het gematigde klimaat in Griekenland de oorzaak was van de wijsheid van het Griekse volk - hij noemde de Egyptenaren en Feniciërs (inwoners van het huidige Libanon) “incompetent” vanwege de hitte en het gebrek aan water aldaar. Plato was bovendien de geestelijke voorvader van wat in de 19e eeuw bekend kwam te staan als eugenetica: het fokken van een superieur mensenras. De Griekse wijsgeer stelde in zijn meesterwerk De Republiek namelijk als eerste voor om alleen “de beste mannen en de beste vrouwen” seks met elkaar te laten hebben.
Toch was er in de oudheid niet echt sprake van een coherent racistisch gedachtegoed. Het betrof meestal een bundeling van min of meer onsamenhangende vooroordelen in plaats van met argumenten gelardeerde theorieën. Daar kwam tijdens de Europese Verlichting verandering in: met een beroep op de rede en aangejaagd door de ontwikkeling van de biologie kregen racistische vooroordelen voor het eerst een wetenschappelijke en ideologische dimensie. De Britse filosoof John Gray (1948) noemt racisme daarom ook “een product van de Verlichting” - racisme werd toen echt een ‘isme’. Zo noemde Immanuel Kant (1724-1804) het blanke ras “het meest geschikt voor vooruitgang”. Afrikanen waren in zijn ogen “voorbestemd voor slavernij”. Ook de Schotse filosoof David Hume (1711-1776) schreef destijds: “Ik ben geneigd te denken dat negers inferieur zijn aan blanken.” De liberaal John Stuart Mill (1806-1873), die onder de indruk was geraakt van de evolutietheorie van Charles Darwin (1809-1882), hield er een soortgelijke opvatting op na over Aziaten.
Racisme als ideologie kan dus een Europees fenomeen worden genoemd, dat door middel van kolonisatie uiteindelijk over de wereld is verspreid, en ook in de Verenigde Staten wortel heeft geschoten. De toen al vrij gangbare slavernij kon plots worden gerechtvaardigd op rationele gronden; er werden in Amerika uitgebreide studies verricht naar de genetische en psychologische eigenschappen van zwarte Afrikanen met als doel hun inferioriteit te ‘bewijzen’.
Bij onze verbazing over het rassenprobleem in de VS past dus wel enige bescheidenheid: Europeanen zijn in zekere zin medeverantwoordelijk voor deze immer voortslepende kwestie. De rationalisatie van natuurlijke ongelijkheid tussen mensen door de verlichtingsdenkers van weleer, heeft het racisme een aura van wetenschappelijkheid gegeven die het daarvoor nooit had. Vooral daardoor won racisme enorm aan overtuigingskracht, met als dieptepunten de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Apartheid in Zuid-Afrika.
Maar ook nu nog lijkt racisme niet geheel uit ons eigen (politieke) denken verdwenen, getuige de 1.300 mensen die afgelopen weekend demonstreerden op de Dam in Amsterdam tegen racisme in Nederland. De demonstratie was georganiseerd door het platform Nederland Bekent Kleur en was met name gericht tegen de anti-islamitische uitlatingen van PVV-leider Geert Wilders. De vraag is evenwel of Wilders wel van ‘racisme’ beticht kan worden. Twee gegevens spreken dat namelijk tegen.
Allereerst gaat het bij racisme altijd om discriminatie op grond van niet-gekozen of onveranderlijke eigenschappen, zoals huidskleur of afkomst. Wilders lijkt echter geen onderscheid te maken tussen mensen op grond van niet-gekozen, onveranderlijke eigenschappen: religieuze overtuigingen zijn immers een keuze. Je kunt, volgens hem, besluiten om in de Koran te geloven of niet. Verder heeft Wilders herhaaldelijk benadrukt zich niet te richten tegen moslims, maar tegen de islam “als ideologie”. Hij is, met andere woorden, een criticus van de islam, geen racist.
Toch is enige verwarring wel begrijpelijk. Wilders spreekt zichzelf namelijk op precies deze twee standpunten ook vaak tegen. Ten eerste heeft Wilders een klassiek Kantiaanse opvatting over identiteit; hij definieert de menselijke identiteit als de morele overtuigingen die een persoon heeft. Zo ziet Wilders de normen en waarden uit de verlichting - vrijheid, autonomie van het individu, tolerantie - als constitutief voor wat hij ‘de Nederlandse identiteit’ noemt. ‘Nederlander’ ben je, volgens hem, als je deze normen en waarden onderschrijft. In dezelfde lijn der gedachte is ook ‘de islam’ constitutief voor de islamitische identiteit: je bent ‘moslim’ als je de islamitische normen en waarden onderschrijft. Wilders’ zelfverklaarde onderscheid tussen ‘islam’ en ‘moslim’ is dus retoriek. Volgens zijn eigen opvatting over identiteit zijn die twee zaken hetzelfde. Dat kan ook niet anders: zonder ‘moslims’ zou er anders immers ook geen ‘islam’ in Nederland zijn.
Ten tweede heeft Wilders meerdere malen gezegd dat hij de islam beschouwd als een onveranderlijke ideologie. “De islam is de Koran” zei hij ooit in een interview - en de Koran is in vijftien eeuwen ongewijzigd gebleven. Logisch ook, voor moslims betreft het immers het letterlijke woord van Allah. Dat is volgens Wilders dan ook precies het probleem met de islam: anders dan het christendom is de islam nooit aan emancipatie onderhevig geweest en zal ze dat ook niet zijn. “Als de islam al kan veranderen, dan duurt dat drieduizend jaar, en daar wil ik niet op wachten.” stelde Wilders ooit in een debat met minister Vogelaar (Integratie, PvdA).
Tel deze twee standpunten bij elkaar op en je begrijpt waarom het platform Nederland Bekent Kleur Geert Wilders van racisme beticht. Wie zijn redeneertrant volgt, komt namelijk tot de conclusie dat Wilders de islam beschouwt als een statische ideologie die constitutief is voor het ‘moslim-zijn’. Met andere woorden: de islam is een onveranderlijke eigenschap van moslims. En als je daar dan als politicus aan toevoegt dat de islam bestreden en uitgebannen moet worden, is dat inderdaad te kwalificeren als discriminatie op grond van niet-gekozen eigenschappen - als racisme dus.
Het zou dan ook een hoop verwarring en demonstraties schelen als Wilders hierover eens wat ondubbelzinniger kleur bekent.
Verschenen in nrc.next op 26 maart 2008.
30 maart 2008
door:
Rob Wijnberg
31 maart 2008
door:
Peter
31 maart 2008
door:
Rob Wijnberg
01 april 2008
door:
Peter
Rob Wijnberg (1982) is de jongste opinieredacteur van NRC Handelsblad en nrc.next. Hij studeert tegelijkertijd filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn loopbaan in de journalistiek begon in 2001 met een vaste column in Dagblad De Telegraaf. Ook schreef hij de rubriek Het Schoolplein voor de jongerenpagina, waarvoor hij wekelijks middelbare scholieren uit heel Nederland interviewde over de actualiteit. In 2005 verscheen zijn eerste lange essay in ...
> Lees verder




