Prometheus nrc.next
Bestel het boek Boeiuh Bestel het boek In dubio

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

Essay Zin 16 Het vrije woord

Heeft vrijheid van meningsuiting grenzen, en zo ja, waar liggen die dan?  Over die vraag gaat mijn tweede boek - tevens een herschreven, op de actualiteit toegespitste versie van mijn afstudeerscriptie filosofie.  Dit artikel geeft een kort overzicht van de strekking van het eerste hoofdstuk: dat vrije meningsuiting eigenlijk een onmogelijke vrijheid is, omdat het - intrinsiek aan de aard van deze vrijheid - de grenzen verwerpt die ze eigenlijk vereist.

Wat je wel of niet mag zeggen

Waarom vrije meningsuiting een onmogelijke vrijheid is

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: waar ligt de grens van vrije meningsuiting?

Mag je een politicus uitmaken voor ‘extremist’? Of de koningin voor ‘hoer’? Mag je een religie ‘achterlijk’ noemen? En de aanhangers ervan ‘geitenneukers’? Mag je oproepen tot een verbod van een heilig boek? Of dat boek beschimpen in een film? En mag je homoseksualiteit een ‘ziekte’ noemen? Of andersdenkenden ‘afvallige varkens’?

Geen enkele vrijheid is de afgelopen jaren zo vaak ter discussie gesteld als de vrijheid van meningsuiting. Toch lijkt de vraag waarom het allemaal draait nog steeds niet beantwoord. Wat mag je nu zeggen en wat niet? Of formeler uitgedrukt: heeft de vrijheid van meningsuiting grenzen, en zo ja, waar liggen die dan?

Die vraag is zo complex dat een eenduidig antwoord erop geven onmogelijk lijkt. Kúnnen de grenzen van het vrije woord eigenlijk wel ‘objectief’ vastgesteld worden? Nadere bestudering van de aard van vrije meningsuiting leert dat die vraag eigenlijk het antwoord verraadt.

Allereerst moet worden opgemerkt dat ieder soort vrijheid noodzakelijkerwijs grenzen veronderstelt. Zonder grenzen – dit mag wel en dit mag niet – is er geen sprake van vrijheid meer. Grenzeloze vrijheid is namelijk doelloos: het dient nergens toe. Zo neemt bijvoorbeeld keuzevrijheid toe naarmate het aantal keuzes toeneemt, maar is de keuzevrijheid verdwenen zodra het aantal keuzemogelijkheden oneindig is. Er is dan namelijk geen (waarneembaar) verschil tussen de keuzes, en dus geen reden meer om het ene boven het andere te verkiezen.

Zo geldt ook voor vrijheid van meningsuiting dat deze vrijheid ‘niet bestaat’ als alles gezegd mag worden. Want, zoals de Amerikaanse filosoof Stanley Fish (1938) opmerkt in zijn boek There is no such thing as free speech (1994): „Zonder restrictie, zonder een ingebouwd begrip over wat betekenisloos of verkeerd is om te zeggen, is er geen spraak mogelijk en geen reden om te spreken." Daarmee bedoelt Fish: je mening kenbaar maken heeft alleen zin als je er iets mee beoogt; als de expressie een bepaald doel dient. Zou alles gezegd mogen worden, dan zou dat betekenen dat ieder doel even gerechtvaardigd is om na te streven, en dat is onmogelijk. Want, het hébben van een doel betekent per definitie dat je een ander (tegengesteld) doel afwijst.

Daarom, stelt Fish, vereist meningsvrijheid grenzen op grond van „een conceptie van het goede" – een idee van wat ‘goed’ is (nastrevenswaardig) en ‘kwaad’ (afkeurenswaardig). Zonder zo’n idee zou het vrije woord niets anders zijn dan het recht „om geluid te maken", zegt Fish. En dat willen we niet, want dan zouden uitingen betekenisloos worden en spreken zinloos zijn.

Maar nu komt het grote probleem: wat is ‘goed’ en ‘kwaad’? Daarover heeft nog nooit enige consensus bestaan. Een „conceptie" van het goede betekent nog geen definitie van het goede. Dat iemand een bepaald idee heeft over wat goed is en wat niet, maakt nog niet dat zijn idee algemene geldigheid bezit. De grenzen van vrijheid – en dus ook van meningsvrijheid – liggen daarom voor ieder mens ergens anders, afhankelijk van zijn wereldbeeld. En zolang een allesomvattende consensus ontbreekt, is het definitief vaststellen van die grenzen dus ook onmogelijk – want niemand heeft de waarheid over ‘goed’ en ‘kwaad’ in pacht.

Een filosofisch uitzichtloze situatie dus. Maar juist dat uitzichtloze biedt een onverwacht aanknopingspunt. Want, dat een definitie van ‘goed’ en ‘kwaad’ niet voorhanden is, is precies de reden waarom we vrijheid van meningsuiting hebben. De core rationale van meningsvrijheid is immers: het waarborgen van een vrij en open debat over ‘goed’ en ‘kwaad’. Het doel dáárvan is niet om uiteindelijk vast te stellen wat de ware aard van ‘goed’ en ‘kwaad’ werkelijk is. Integendeel, meningsvrijheid dient er, als principe, juist toe nooit tot die vaststelling te komen. Daarom heet het meningsvrijheid: iedereen mag zijn persoonlijke ‘idee van goed en kwaad’ uiten, omdat niemand de definitie ervan in pacht heeft. Het zijn meningen, geen waarheden.

De essentie van vrije meningsuiting is dus eigenlijk dat ze een ‘absolute’ morele waarheid principieel opschort. Dat maakt van meningsvrijheid een onmogelijke vrijheid: ze vereist immers grenzen, gebaseerd op een idee van goed en kwaad, maar ze verwerpt zelf, als principe, de vaststelling van dat idee en dus van haar eigen grenzen. Immers, zou de mens wél een morele waarheid tot zijn beschikking hebben, dan zou men ‘goed’ en ‘kwaad’ niet langer hoeven bediscussiëren en heeft men geen meningsvrijheid meer nodig.

De constatering van Stanley Fish dat een grenzeloze meningsvrijheid „niet bestaat", omdat ze doelloos is, klopt dus wel, maar dat is precies wat vrijheid van meningsuiting placht te zijn: een vrijheid die ‘goed’ en ‘kwaad’ ter discussie stelt en daarmee haar eigen ‘verwezenlijking’ oneindig uitstelt. Een paradox dus: we bediscussiëren ‘goed’ en ‘kwaad’ zonder ooit tot een conclusie te (mogen) komen.

Fish komt met een pragmatische oplossing voor deze tegenstrijdigheid. Hij vindt dat de grenzen op een „anti-principiële" manier moeten worden vastgesteld door „iedere situatie afzonderlijk" op zijn merites te beoordelen. Dat is echter weinig bevredigend. Het betekent immers dat de grenzen van het vrije woord bepaald worden door de toevallige opvattingen van diegene die de grenzen stelt. Dat zag men bijvoorbeeld bij de Wilders-demonstratie. Het Openbaar Ministerie vond de kwalificatie ‘extremist’ te ver gaan. Maar ja, dat vonden de betogers natuurlijk niet. En wie gelijk heeft, staat juist ter discussie.

De conclusie die ik uit de paradox heb getrokken, is dat meningsvrijheid een absolute vrijheid is. Uit het feit dat meningsvrijheid ‘goed’ en ‘kwaad’ niet als gegeven accepteert, en daardoor haar grenzen niet te bepalen zijn, volgt immers automatisch dat alles gezegd mag worden. Niemand heeft het recht om een ander, op grond van zijn persoonlijke opvattingen, het zwijgen op te leggen – want zou dat wel zo zijn, dan zou iedereen dat recht hebben. Deze patstelling kwam het mooist tot uiting toen Geert Wilders vorig jaar pleitte voor een verbod op de Koran. „De ironie wil", merkte de jurist Frank Kuitenbrouwer destijds scherp op, „dat de bezwaren tegen Wilders’ pleidooi voor een koranverbod evenzeer opgaan voor de roep om een strafrechtelijke vervolging van de politicus vanwege dit pleidooi".

Uit het voorgaande volgt, volgens mij, dat vrijheid van meningsuiting het recht om te twijfelen is; het recht om een eigen waarheid of wereldbeeld te uiten, maar vooral ook om waarheden en wereldbeelden te betwijfelen; om een definitieve vaststelling van ‘goed’ en ‘kwaad’ op te schorten door de ideeën van anderen voortdurend te bediscussiëren. Anders gezegd, het vrije woord is het moreel-relativistische fundament onder onze samenleving.

Het probleem is echter dat de maatschappelijke context hier volledig uit het oog is verloren. Ook een samenleving die niet onder het juk van een absolute morele waarheid (een staatsideologie) valt, heeft wel degelijk een gedeeld idee van ‘goed’ en ‘kwaad’. We zijn niet allemaal morele relativisten. Maar welk idee moeten we dan als ons gedeeld idee van ‘goed’ en ‘kwaad’ beschouwen?

Het meest voor de hand liggende antwoord daarop is: de wettelijke orde. Ons wetboek is het – voorlopige – resultaat van de doorlopende discussie over wat ‘goed’ is (toegestaan) en ‘niet goed’ (verboden). Dus, de enige grens van de vrije expressie moet dus daar liggen waar iemand de intentie uitspreekt om een van de op dat moment geldende wetten te overtreden. Uitingen als ‘ik ga Jan vermoorden’ of ‘ik ga het parlementsgebouw opblazen’ zouden dus – mits op waarde geschat – tot vervolging moeten leiden.

Daarbij moet wel worden aangetekend dat alle wetten in het wetboek die het vrije woord zélf beperken (smaad, godslastering, belediging) buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het vrije woord is immers voorwaarde voor democratisch verkregen wetten. Zonder publiek debat hebben we geen ‘gedeeld idee van goed en kwaad’, dus kan niet bij voorbaat in de wet worden vastgelegd waar het publieke debat wel of niet over mag gaan.

Pleiten voor afschaffing of verandering van de wet kan in een democratie dus ook nooit strafbaar zijn. Geert Wilders mag in alle vrijheid zeggen dat hij artikel 1 (het recht op gelijke behandeling) wil afschaffen. En ook de Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit (PNVD) heeft het recht om legalisering van seks met minderjarigen te bepleiten. De partijleden uiten immers niet de intentie seks met kinderen te hebben. Ze stellen alleen dat de strafbaarstelling ervan moet worden opgeschort.

En daar draait het uiteindelijk om: het vrije woord dient er toe onze opvattingen in beweging te houden. Meningsvrijheid is eigenlijk gebaseerd op de feilbaarheid van de mens: we weten niet wat ‘goed’ en ‘kwaad’ is, dus mogen we er oeverloos over van mening verschillen. Zo wordt voorkomen dat iemands mening een morele ‘waarheid’ wordt.

In de praktijk heeft dat als grote nadeel dat opvattingen die door bijna iedereen als ‘fout’ worden beschouwd óók bestaansrecht krijgen. Maar het voordeel weegt daar dubbel en dwars tegenop: geen enkele opvatting kan, zolang er meningsvrijheid bestaat, ooit tot absolute waarheid worden verheven.

Dus, om de filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) te parafraseren: van dat waarover niet kan worden gezwegen, mag men spreken, zolang aan dat waarover wordt gesproken mag worden getwijfeld.

Verschenen in nrc.next op 20 februari 2008.

20 februari 2008

door:

Rob Wijnberg

Reacties

Heel interessant !!

Twee vragen:

Verschult het doelloze twijfelen ook niet een hele andere strijd? Nl: de intentie om morele superioriteit vast te stellen waarin het goede wordt geassocieerd met de “ik” en het kwade met de “ander” (narcissism)? Verschuilt er zich achter het publieke debat dus niet een strijd om macht tussen groepen met verschillende normen en waarden?

Nog één vraagje: is jouw conclusie afgeleid van de quote: "Whereof one cannot speak, thereof one must be silent" ?

Volgens mij bedoelde W. hiermee te zeggen dat wanneer woorden tekort schieten er niet over gesproken dient te worden.

Ik begrijp W nog niet helemaal, maar ik was in de veronderstelling dat W juist heel veel problemen zag in het verwoorden van morele principes (vandaar de quote). Volgens hem is dat niet mogelijk. Om morele standpunten te begrijpen moet er niet gesproken worden maar moeten de grammar/regels van de language-game onderzocht worden om te zien/begrijpen wat er bedoeld wordt. Betekent dat niet dat hij het recht van twijfelen zou afwijzen als een filosofische tegenstelling dat niet kan worden opgelost dmv taal?

08 maart 2008

door:

Ruud

Beste Ruud, wat mij betreft denk je in de goede richting als je zegt dat achter het publieke debat een machtsspel schuilgaat om het ene (bv. 'ik') boven het andere (bv. de 'ander') te stellen. Vrijheid van meningsuiting is dan ook bedoeld om de macht zo evenlijk mogelijk te verdelen: als iedereen mag zeggen wat hij vindt, komt de macht niet bij 1 partij te liggen. Zodra een opvatting monddood wordt gemaakt, betekent dat het 'gelijk' en daarmee de macht van de tegenliggende partij. Uiteindelijk komt vrijheid van meningsuiting voor eenieder dan ook hier op neer, namelijk: niemand heeft gelijk - en dus niemand 'de macht'. Dat is inderdaad doelloos, maar dat is vrije meningsuiting ook; immers, als iemand de ware moraal in pacht had, hadden we vrije meningsuiting niet nodig gehad.

Dan over de parafrase: Wittgenstein bedoelt het inderdaad anders dan ik. Daarom 'misbruik' ik zijn uitspraak ook: hij zegt, waarom je niet kan spreken moet je zwijgen. Ik zeg: waarover je niet kan spreken (de morele waarheid) mag je spreken, zolang je eraan mag twijfelen. Immers, we doen niet anders dan praten over 'goed' en 'kwaad' alsof we weten wat het is.
Groet!Rob

08 maart 2008

door:

Rob Wijnberg

Reageer zelf