Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Essay Zin 13 Vrijheid van godsdienst
Op scholen en in ambtelijke functies zal de boerka niet meer mogen worden gedragen. Maar een totaalverbod komt er niet. Want: dat druist in tegen de vrijheid van godsdienst. Maar wat is vrijheid van godsdienst eigenlijk? Is 'godsdienst' wel te definieren?
Álles is een uiting van geloof
Vrijheid van godsdienst zou op moeten gaan in vrijheid van meningsuiting
Door Rob Wijnberg
nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een filosofisch dilemma. Vandaag: wat betekent vrijheid van godsdienst?
Het kabinet-Balkenende IV wil een ‘beperkt boerkaverbod’ invoeren door het dragen van gezichtsbedekkende kleding „op scholen en in ambtelijke functies" te verbieden (nrc.next, 23 januari). Onder dat verbod vallen, naast de islamitische sluiers boerka en nikab, ook integraalhelmen, bivakmutsen en gezichtsbedekkende capuchons. Het motief is tweeledig: het verbod dient ter bevordering van de „communicatie" tussen mensen en de „veiligheid" in de openbare ruimte.
Een algeheel boerkaverbod, waarmee het dragen van de sluier helemaal zou worden verboden, komt er dus niet. De PVV had daartoe in 2005 een initiatiefwet ingediend, die destijds ook door het CDA werd gesteund. Het kabinet is nu echter tegen, omdat een dergelijk verbod „in strijd is met de vrijheid van godsdienst" – een argument dat al terzijde is geschoven door de VVD, die alsnog een motie heeft ingediend om alle gezichtsbedekkende kleding in de openbare ruimte te verbieden.
Op het eerste gezicht lijkt de redenering van het kabinet feilloos: in sommige situaties is een boerka of nikab op z’n minst onhandig, misschien zelfs gevaarlijk en in ieder geval niet wenselijk; in die gevallen moeten de sluiers in de ban worden gedaan. Maar de boerka en nikab zijn ondertussen wél uitingen van geloof: een algeheel verbod zou dus haaks staan op de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van godsdienst enerzijds en de scheiding tussen kerk en staat anderzijds. Geen algeheel verbod dus.
Maar is die redenering wel zuiver? Een groot probleem is hier dat volstrekt onduidelijk is wat ‘vrijheid van godsdienst’ eigenlijk betekent. In formele zin verwijst het naar de vrijheid van burgers om een bepaald (religieus) wereldbeeld aan te hangen en te uiten – in woord en daad – dus ook met bijbehorende rituelen zoals het dragen van sluiers, kruisjes, of andere gewoontes. Maar in de praktijk blijkt keer op keer dat een dergelijke definitie van ‘godsdienst’ zo vaag is, dat in feite alles onder de godsdienstvrijheid kan worden geschaard.
Dit probleem is kortgeleden nog opgeworpen door Paul de Beer, filosoof en bijzonder hoogleraar Arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam, is zijn essay Waarom vrijheid van godsdienst uit de grondwet kan (Socialisme & Democratie, nr. 10, 2007, in verkorte versie verschenen in NRC Handelsblad, 27 oktober). De Beer merkt op dat de term ‘godsdienst’ (of: ‘religie’) „ondefinieerbaar" is. Op grond waarvan kun je eigenlijk bepalen wat een godsdienst is, vraagt hij zich af. Want, „waarom beschouwen we christendom, jodendom, islam, hindoeïsme en boeddhisme als godsdiensten, maar astrologie, new age, geloof in kabouters en de satanskerk niet? En hoe zit het eigenlijk met scientology, winti en holisme?"
De Beer legt hier de vinger op de zere plek: alle overtuigingen die een mens kan hebben zijn in zekere zin ‘geloofsovertuigingen’ – dat sommige van die overtuigingen onder de noemer van een bepaalde ‘godsdienst’ of ‘religie’ worden geschaard, is niets meer dan een kwestie van de toevallige, historische samenloop van omstandigheden. Dat wil zeggen: er is geen toetsbaar criterium voor. Je zou, met enige fantasie, ook de wetenschap een ‘geloof’ kunnen noemen; een stelsel van overtuigingen met bijbehorende rituelen (proefjes) en geschriften (wetenschappelijke publicaties). Maar vallen dierproeven, of genetische manipulatie daarmee dus automatisch onder vrijheid van godsdienst?
Dat klinkt absurd, maar zo onwaarschijnlijk is het niet. Paul de Beer roept in zijn interessante essay een mooi voorbeeld in herinnering dat illustreert hoe rekbaar het begrip ‘godsdienstvrijheid’ is. Zo verkreeg begin 2007 een man tegen alle regels in zijn identiteitsbewijs met een foto waarop hij als clown was geportretteerd; het werd toegestaan omdat de man claimde dat dat „zijn levensovertuiging" was. En er zijn meer voorbeelden denkbaar. Zo staat godsdienstvrijheid ook op gespannen voet met drugsgebruik. Rastafaris bijvoorbeeld – een religieuze beweging, begin jaren ’30 begonnen in Jamaica – beschouwen het roken van cannabis als onderdeel van hun godsdienst. Zouden de Verenigde Staten dat dan niet moeten toelaten? De Amerikaanse rechtbank oordeelde in 1998 van niet, maar de motivatie daarvoor blijft onduidelijk. In Nederland haalde een vergelijkbaar voorbeeld het nieuws: ruim elfduizend orthodoxe christenen zijn, ondanks de verzekeringsplicht, niet verzekerd voor ziektekosten, omdat zij vinden dat verzekeringen „een motie van wantrouwen zijn in God". Deze redenatie hoeft maar iets verder door te worden getrokken en ook de belastingplicht kan worden opgedoekt, omdat ‘alleen God recht heeft op onze middelen’.
Dat het dragen van een boerka of nikab niet verboden zou moeten worden omwille van ‘godsdienstvrijheid’ klinkt dus wel aannemelijk – het betreft zelfs een mensenrecht –, maar is zo evident nog niet. Sterker nog, Paul de Beer concludeert terecht dat de staat onvermijdelijk in een spagaat verkeert: zowel het verbieden als het toestaan van dit soort ‘religieuze’ uitingen, tast hoe dan ook de scheiding tussen kerk en staat aan, omdat het „de staat dwingt een oordeel te vellen over het geloof". Immers, „als de overheid positie kiest ten aanzien van een geloof, geeft ze per definitie een interpretatie aan dat geloof."
De Beer stelt daarom dat vrijheid van godsdienst „uit de grondwet moet worden geschrapt". Dat klinkt radicaal, maar is gezien het voorliggende dilemma een volstrekt juiste conclusie. Voor de belijders van godsdiensten verandert er namelijk niets: de vrije uitoefening van het geloof wordt nog altijd gegarandeerd door de vrijheden van meningsuiting, vergadering en vereniging. Maar met het verdwijnen van de godsdienstvrijheid verdwijnt wél het onheuse en niet vast te stellen onderscheid tussen overtuigingen en praktijken die men toevallig ‘religieus’ heeft gedoopt en overtuigingen en praktijken die dat predicaat niet hebben gekregen. Dat biedt de mogelijkheid om wereldbeelden en bijbehorende rituelen strikt te beoordelen op enkel praktische gronden: de boerka hoeft dan niet als ‘religieuze uiting’ te worden beschouwd, maar als kledingstuk. Of het dragen ervan zou mogen of niet, is dan een kwestie van de mate van zelfbeschikking die burgers in zo’n geval toekomt, niet van ‘godsdienstvrijheid’. Dat betekent overigens niet dat de sluier dan dus maar moet worden toegestaan: ook naakt over straat gaan is in Nederland verboden, op grond van verstoring van de openbare orde. Getoetst zou dus moeten worden in hoeverre de boerka of nikab daaraan bijdragen. Maar, zoals De Beer stelt, het zou verder niet moeten uitmaken „waarom iemand een boerka draagt".
Het grote voordeel van het schrappen van artikel 6 is dan ook dat op die manier wordt voorkomen dat dit soort discussies gaan over de verkeerde vraag. Dat minister Vogelaar (Integratie, PvdA) het pleidooi van Geert Wilders voor een koranverbod verwierp omdat we in Nederland „godsdienstvrijheid hebben" is daar een goed voorbeeld van: de kwestie zou niet moeten zijn of hier de godsdienstvrijheid in het geding is, maar of voor de Koran vrijheid van drukpers geldt, stelt De Beer. Immers, wat maakt van de Koran een onaantastbaar, godsdienstig boek, terwijl bijvoorbeeld Hitlers Mein Kampf wél verboden is? Zou je laatstgenoemde niet evengoed de ‘bijbel’ van het nazisme kunnen noemen?
Een staat die de scheiding tussen kerk en staat hoog heeft – hetgeen betekent dat hij zich principieel niet uitlaat over de waarde of waarachtigheid van de verschillende wereldbeelden en levensovertuigingen van burgers – heeft dit soort oordelen dan ook niet te vellen. De vraag of iets ‘godsdienstig’ is of niet, is aan burgers zelf, en zou voor de staat irrelevant moeten zijn.
Daartoe zouden in de grondwet dus alle wereldbeelden als gelijken moeten worden beschouwd. Het onderscheid tussen religieuze en andersoortige overtuigingen zou dan opgegeven moeten worden, door vrijheid van godsdienst op te laten gaan in vrije meningsuiting, vergadering en vereniging. Dat voorkomt, zoals De Beer terecht stelt, de vraag „welke rechten burgers op grond van hun godsdienst of hun levensovertuiging hebben die anderen niet hebben."
Gelijke monniken, gelijke kappen dus. Of die kap nu een islamitisch kledingvoorschrift is of niet.
Verschenen in nrc.next op 29 januari 2008.
31 januari 2008
door:
Rob Wijnberg
Rob Wijnberg (1982) is de jongste opinieredacteur van NRC Handelsblad en nrc.next. Hij studeert tegelijkertijd filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn loopbaan in de journalistiek begon in 2001 met een vaste column in Dagblad De Telegraaf. Ook schreef hij de rubriek Het Schoolplein voor de jongerenpagina, waarvoor hij wekelijks middelbare scholieren uit heel Nederland interviewde over de actualiteit. In 2005 verscheen zijn eerste lange essay in ...
> Lees verder



