Prometheus nrc.next
Bestel het boek Boeiuh Bestel het boek In dubio

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

Essay Zin 11 De vrije wil

De afgelopen jaren heeft het deterministsiche denken aan terrein gewonnen.  Steeds vaker worden er 'verboden' voorgesteld en ingevoerd om te voorkomen dat mensen worden 'aangezet' tot slecht gedrag of verkeerd ideeën.  Maar hoe plausibel is dat eigenlijk?  Een minitieuze filosofische verkenning over de vrije wil.

Dat was ik niet, dat was de tijdgeest

Het deterministische denken wint terrein en brengt ons rechtvaardigheidsprincipe in gevaar

Door Rob Wijnberg

nrc.next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een filosofisch dilemma. Vandaag: hoe vrij is de menselijke wil eigenlijk?

Afgelopen weekeinde werden negen betogers, waaronder Kamerlid Tofik Dibi (GroenLinks), op de Dam in Amsterdam gearresteerd. Ze hadden posters bij zich waarop PVV-leider Geert Wilders een „extremist” werd genoemd, die „u en de samenleving ernstige schade” toe zou brengen. Dat vond Justitie te ver gaan. Wilders zelf noemde de arrestatie daarentegen onterecht, maar vond wel dat de uitlatingen van de demonstranten „een sfeer zouden kunnen creëren die tot geweld tegen hem zou kunnen leiden”.

De reactie van Wilders doet denken aan het tijdperk-Fortuyn – waarin vaak werd gesproken over ‘demonisering’ van de LPF-leider – maar past ook in een politieke tendens ná Fortuyn: steeds vaker wordt (potentieel) gewelddadig of andersoortig onacceptabel gedrag niet aan het autonoom handelende individu toegeschreven, maar aan factoren buiten hem, zoals ‘het politieke klimaat’ of ‘de maatschappelijke sfeer’. Ook worden vaker oorzaken als provocerende films of gewelddadige computerspellen aangevoerd als bepalende factoren van het menselijk handelen.

Zo wilde een Kamermeerderheid van SP, VVD, PvdA en SGP begin december van het vorige jaar nog een verbod op het „gewelddadige computerspel” Manhunt 2. Het voorgenomen verbod werd kracht bijgezet door een verband te schetsen tussen het spelen van Manhunt 2 en het plegen van geweld in het ‘echte’ leven. De game zou „aanzetten tot geweld”. Precies om die reden bepleitte ook Geert Wilders een verbod op de Koran; volgens hem zou er een direct verband bestaan tussen het aanhangen (of lezen, dat is niet duidelijk) van dat „fascistische boek” en geweldpleging.

Hoe plausibel is dat eigenlijk? Getuige de twee kampen die in dit soort kwesties altijd haaks tegenover elkaar staan, is dat uiterst moeilijk te bepalen. Het ene kamp stelt dat een verband tussen geweldpleging en gewelddadige of provocerende boeken, films, games, demonstraties of andere uitlatingen vaststaat of op z’n minst plausibel is. Het andere kamp ontkent dat verband in alle toonaarden, of noemt het ‘niet aangetoond’.

Nu is de vraag of dergelijke verbanden bestáán praktisch niet te beantwoorden. Maar een beter begrip van de twee posities kan wel worden verkregen door de vraag te stellen: hoe vrij is de menselijk wil? Immers, het gaat erom of bepaalde dingen een (negatieve) invloed uitoefenen op het menselijke handelen – dus de vraag is hoe autonoom de mens eigenlijk is. Geen kleine vraag, maar een minutieuze filosofische verkenning kan verhelderend zijn.

Twee uiterste antwoorden zijn mogelijk: óf de mens is volledig vrij in zijn handelen – niets is van bepalende invloed, behalve dan zijn eigen wilsbesluit. Of de mens is in zijn geheel niet vrij – het menselijke handelen is dan volledig gedetermineerd door invloeden van buitenaf. Welke positie de juiste is, daarover bestaat in de filosofie totáál geen consensus, alhoewel – door voortschrijdende wetenschap – steeds meer denkers neigen naar het laatste: de wil is (deels) gedetermineerd.

Dat was zeker niet de opvatting van René Descartes (1596-1650). Zijn filosofie over de wilsvrijheid kan met recht worden omschreven als een soort ‘vrije wil fundamentalisme’. „De vrijheid van de wil is zo groot, dat het idee van iets groters voorbij mijn voorstellingsvermogen ligt”, schreef Descartes reeds in 1641. De wil wordt „op geen enkele manier beperkt” en is zelfs „niet minder vrij, in formele zin” dan die van God, stelde hij.

Het standpunt van Descartes klinkt radicaal, maar is best voorstelbaar. Zelfs als je met een pistool op je hoofd gedwongen wordt je pincode te geven, dan nóg kun je zwijgen. Een mens heeft, fysieke dwang daargelaten, in zijn hoofd altijd een keuze om iets wel of niet te doen. Rationeel bekeken is onze keuzevrijheid onbeperkt groot. Althans, volgens Descartes.

Daar zijn de deterministen het echter niet mee eens. Zij stellen dat de menselijke wil – hoe mensen denken, zich voelen en dus handelen – volledig wordt bepaald door invloeden van buitenaf, zoals de natuur of de cultuur – en alle denkbare onderdelen daarvan, zoals opvoeding, taal en toevallige ervaringen. Of, als je een theologisch determinist bent: God.

Nu lijkt dat in dagelijkse leven niet het geval te zijn. De ervaring is dat je zélf bepaalt wat je doet. Maar het punt is hier niet of je zelf je ‘eigen’ beslissingen neemt. Nee, de vraag is of de redenen voor die beslissingen ook uit jezelf komen. De filosoof Arthur Shopenhauer (1788-1860) vatte dit probleem goed samen toen hij stelde: „Je kan doen wat je wil, maar op ieder moment van je leven kun je maar één bepaald ding willen”.

En de vraag is: wie of wat bepaalt wat ik wil? De games die ik speel? De boeken die ik lees? De god waarin ik geloof? De provocerende uitlatingen die ik hoor? Of toch alleen: ikzelf en niets of niemand anders? Het is een ondoorgrondelijk vraagstuk.

Toch blijft de kwestie constant in het politieke debat terugkeren. En het lijkt erop dat het deterministische denken aan terrein heeft gewonnen. Er worden de laatste tijd talloze ‘verboden’ voorgesteld, met als onderliggende motivatie dat de mens wordt voorgesteld als een door externe invloeden bepaald wezen. Dat is ook terug te zien in de discussie rondom de ‘seksualisering’ van de samenleving: feministische critici hebben groeiende aanhang in hun klacht dat vrouwen een seksueel ‘ideaalbeeld’ krijgen opgedrongen, waardoor ze, zonder het zelf eigenlijk te willen, hun uitvlucht nemen in dure make-up of plastische chirurgie.

Of dat klopt, daar geeft de filosofie geen uitsluitsel over. Maar waarom de wilsvrijheid ook in de filosofie wel altijd een belangrijk onderwerp van discussie zal blijven, is omdat wilsvrijheid een noodzakelijke voorwaarde voor moreel handelen is. Als onze wil niet vrij is, kunnen we ook niet ‘goed’ of ‘fout’ handelen: we kunnen dan immers niet verantwoordelijk worden gesteld voor onze daden. Daarom veronderstelt iedere wereldgodsdienst, naast de almacht van God, ook een vrije wil in de mens: anders is het gehoorzamen aan Gods morele wetten onmogelijk.

En precies dát maakt kwesties als het verbieden van ‘provocerende’ demonstraties, ‘gewelddadige’ games of ‘fascistische’ boeken op grond van hun vermeende negatieve invloed – of het verband nu bestaat of niet – ook altijd precair. De morele veronderstelling waarop ons rechtsysteem gebouwd is – de vrije wil – wordt dan namelijk aangetast. De oorzaken van ons handelen worden dan buiten de mens gelegd. Daarom zal geen rechter ooit een moordenaar vrijspreken omdat hij tot zijn wandaden werd ‘aangezet’ door een boek, computerspel of een poster van GroenLinkser Tofik Dibi: dan kun je de hele rechtspraak wel opdoeken.

Maar deze absolute verantwoordelijkheid is niet houdbaar. Je zou dan immers ook kunnen concluderen dat zelfs een wapenverbod nergens op slaat: het hebben van een wapen maakt toch niet automatisch dat iemand hem gebruikt? Vanuit dat perspectief bezien is het dus ook weer niet totaal onlogisch dat bepaalde posters, games of boeken worden verboden omwille van de mogelijke consequenties.

Kortom, onze wilsvrijheid is een ongelofelijk complex probleem. Daarom schipperen de meeste politici ook constant in hun standpunt. Een verbod op de Koran? Nee, want dat is een kwestie van ‘interpretatie’. Een verbod op Manhunt 2? Ja, want dat ‘zet aan’ tot geweld. Geert Wilders is op dit gebied trouwens veruit de meest inconsistente van alle politici. Het verband tussen geloven in de Koran en afkeurenswaardig gedrag is voor hem bijna een gegeven, maar hij toont zich tegelijkertijd een enorme protagonist van de vrije wil als het gaat om het afvallen van je geloof. Ook verdedigt de PVV-leider het recht van demonstranten om tegen hem te betogen, terwijl hij wel van mening is dat het „een sfeer van geweld” jegens hem creëert. Waarom zou ‘provocerend’ demonstreren wél mogen en het belijden van een ‘gewelddadige’ religie niet?

Uit het gedraai valt uiteindelijk meestal maar één ding op te maken: dat dit soort kwesties vooral gaan om het maken van politieke statements. Of de samenleving zonder bepaalde games, boeken, demonstraties of uitlatingen nu echt beter of veiliger wordt of niet, weet in ieder geval niemand. Zeker de hoge heren in Den Haag niet.

Verschenen in nrc.next op 17 december 2008.

18 januari 2008

door:

Rob Wijnberg

Reageer zelf